vrijdag 21 oktober 2016

Boer rond 1800 was verder dan wij

“Ik kom uit Deurne.” Plantonderzoeker Frans Aarts werkte jarenlang aan de vraag hoe melkveehouders hun grond, gewassen en mest zo goed mogelijk kunnen benutten. Tot zijn verrassing ontdekte hij dat zijn armoedige voorouders dit omstreeks 1800 al heel goed wisten. In Deurne stond zijn ouderlijke boerderij.


Mest

Nederlandse veehouders gooiden circa dertig jaar geleden veel te veel mest op hun land, waardoor ze het milieu vervuilden. Het was aanleiding voor Frans Aarts om een plan te ontwikkelen voor een milieuvriendelijk proefbedrijf voor de melkveehouderij. Het bedrijf – De Marke – opende in 1992 de deuren in het Gelderse Hengelo en Aarts werd er projectcoördinator.

Kringloop

Nog vóór de opening tekende Aarts de kringloop van voedingsstoffen op de boerderij. Hij rekende uit hoeveel voedingsstoffen er in het voer zaten, hoeveel daarvan in de koe terechtkwamen, hoeveel stikstof en fosfaat de koe uitscheidde in de mest, hoeveel daarvan op het land kwam, hoeveel daarvan weer werd opgenomen door het gras en de mais, die vervolgens weer dienden als veevoer. “We bedachten hoe we die kringloop konden sluiten.”

Spectaculair

De Marke werd een begrip in de sector. “We produceerden evenveel melk als een gemiddeld bedrijf, met minder voeraankoop en nauwelijks kunstmest op de slechtste grond van de Achterhoek.”

Achterlijk

Met al zijn kringloopkennis in het achterhoofd bestudeerde Aarts het afgelopen jaar de landbouw in de Peel en Kempen omstreeks 1800. Hij schreef er een boek over. Vroeger was het in Deurne doffe ellende. “De historici meldden dat de Brabantse landbouw achterlijk was, maar ik ben zelden een achterlijke boer tegengekomen. Hij boert met redenen; er zijn steeds oorzaken. Die wilde ik vinden.”


Iets uit niets

Aarts’ voorouders ontwikkelden de plaggencultuur. Graslanden werden gehooid en er werden plaggen gestoken die samen met heidemaaisel gebruikt werden als strooisel op stal. De stalmest ging naar de akkers. Ze concentreerden de mest op de akkers en verarmden zo de omgeving. “Die jarenlange verarming van de omgeving ging een keer fout. De boeren compenseerden de voortgaande uitputting met steeds meer arbeid.”

Mest

Rond 1900 was er in de Peel en Kempen sprake van evenwichtsbemesting. “Na 1950 werd de Peel het toneel van mestoverschotten, verzuring en stankoverlast” De uitbreiding van de varkensstapel ging in een gigantisch tempo.” Toen had het landbouwministerie meteen moeten ingrijpen, stelt Aarts.

Samenleving

Er moet wel echt iets veranderen op het gebied van milieuvervuiling, ziektekiemen en landschap, zegt Aarts, want boeren overleven niet zonder een goede verstandhouding met de samenleving. Ook in de Peel en Kempen is de sfeer verslechterd, signaleert hij. “Ik denk dat de Q-koorts een omslagpunt was. Het was al bekend dat Q-koorts schadelijk was, maar de bevolking werd niet ingelicht. Er zijn mensen doodgegaan en gehandicapt geraakt. Toen was het: dit is mijn landbouw niet meer.”


De boer en zijn grond

“Het klinkt misschien gek, maar de Brabantse boer rond 1800 was verder dan wij nu. Vroeger had je gemengde bedrijven, de boeren konden vee houden en gewassen telen. De kennis daarover is de laatste veertig jaar snel achteruit gegaan. De veehouder is veekundig, maar weet vaak minder van gewassen dan de doorsnee volkstuinder. We moeten terug naar de koppeling tussen de boer en zijn grond. Alleen dan krijg je efficiënte kringloopboeren.”

Bron: Resource/Wageningen Universiteit; 9 september 2016